Eén klas, verschillende routes
Deze eilanden bieden houvast om binnen één klas te differentiëren, zodat leerlingen onderwijs krijgen dat past bij hun tempo en leerbehoefte. Het idee groeide vanuit Rietvelds zoektocht naar inclusief onderwijs. “Goed onderwijs geef je aan de hele groep, maar dan moet je wel accepteren dat niet iedereen hetzelfde nodig heeft”, vertelt ze. “In een vwo-klas kan het verschil in tempo en denkvermogen enorm zijn.”
Ze zag drie groepen leerlingen. “Reguliere vwo-leerlingen, die het standaardprogramma volgen. De tweede groep is een verlengde instructiegroep: leerlingen die bij bepaalde vakken extra uitleg of oefening krijgen. En de derde groep volgt de compacte route: dat zijn leerlingen die sneller of dieper kunnen werken, vaak de hoog- of meerbegaafden.”
Minder herhaling, meer diepgang
“De compacte groep maakt minder herhalingsopdrachten. In plaats van vijftien sommen maken ze er zeven, en krijgen ze een verdiepende of verbredende opdracht. Dat kan zijn: een eigen onderzoekje, een scheikundige proef opzetten of theorie uitzoeken die net buiten het boek valt. Of ze krijgen een andere, kortere instructie.”
De groepen blijven onderdeel van de klas. “Het is géén apart hokje. Iedereen hoort erbij. Alleen de route verschilt.” De indeling geldt voor alle vakken, maar niet elk vak vraagt hetzelfde. Sommige leerlingen zitten voor wiskunde in de compacte groep, maar voor Engels juist bij verlengde instructie. “We kijken per vak wat past,” zegt Judit. Ze werkt nauw samen met collega-docenten. “We stemmen veel af: wat heeft deze leerling nodig, wat werkt in jouw les? Het praat makkelijk, we passen het onderling aan. En dat maakt het draagvlak groot.”
Extra uitdaging buiten de les
De compacte groep krijgt ook buiten de klas extra uitdaging. Ze nemen deel aan het Delta-moment, waarin leerlingen aan de slag gaan met spellen en psycho-educatie krijgen, waar ze leren over hoe hun brein werkt. “Hoogbegaafde leerlingen hebben minder herhaling nodig,” zegt Judit. “Hun brein wordt blij van complexiteit. Ze houden van puzzelen, verbanden leggen, creëren.”
De indeling van de klas in verschillende peereilanden geeft leerlingen niet alleen passende uitdaging, maar ook herkenning. “Ze merken: ik ben niet de enige die iets extra’s nodig heeft. Dat geldt voor alle groepen, zowel voor wie extra uitleg krijgt, als voor wie juist meer diepgang zoekt.”
Lef om te beginnen
Hoe heeft ze het in de klas georganiseerd? “De theorie zegt: plaats de groepen bij elkaar. Zo begonnen we ook. Maar wij merkten dat dit niet nodig was, bijvoorbeeld voor vriendschappen die over en weer lopen.”
– Wat hebben andere scholen nodig die twijfelen over starten met peergroepen? “Doorzettingsvermogen, eigenwijsheid, maar toch vooral lef. Lef in dingen proberen, met de kans op falen. En dat communiceren en het toch gaan doen.” Precies zo zette Judit het samen met een collega in gang op het Greijdanus. “Inmiddels hebben alle scholen binnen ons samenwerkingsverband zo’n peergroep.”
En voor scholen die beginnen: “Er is veel theorie waar je op terug kunt vallen. Een cursus als Uit je hoofd, in je lijf en Begaafdheid op je bord. En ervaringsdeskundigheid binnen het project helpt ook: zelf hoogbegaafd zijn of een hoogbegaafd kind hebben maakt dat je het snapt van binnenuit.”
Lees op pagina 20-21 hoe ook Stad&Esch in Meppel hun peergroup voor HB-leerlingen vormgeeft.